Copy
zijn er geen afbeeldingen te zien? Klik dan hier
Deel
Tweet
Stuur door
Link
Kreeg u deze brief doorgestuurd en wilt u een eigen abonnement, klik dan hier
Dit is de nieuwsbrief van de onafhankelijk Adviseur voor Ruimtelijke Kwaliteit van de provincie Utrecht: Paul Roncken, onder redactie van Ymkje van de Witte.

Deze brieven verschijnen onregelmatig. Ze belichten thema's die de kwaliteit van de leefomgeving beïnvloeden, nu of in de toekomst. Als u wilt reageren op deze nieuwsbrief klik dan hier.

november 2019

Door Ties Rijcken, op verzoek van Paul Roncken

Van Sober naar Rijk

Dijkverbetering in de 21ste eeuw

'Dijken zijn iconen van de Nederlandse poldermentaliteit.
Maar polderen heeft wel een penvoerder met middelen nodig.'


Het Hoogwaterbeschermingsprogramma gaat 900 kilometer Sobere en Doelmatige dijken aanleggen. Wie méér wil dan Soberheid, moet dat decentraal organiseren en financieren. Waterschappen geven overduidelijk om omgevingskwaliteit en hebben open projectorganisaties opgezet – Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden en Waterschap Rivierenland werken zelfs met onafhankelijke kwaliteitsteams. Behoud van omgevingskwaliteit is op die manier goed geregeld, maar is er ook ruimte voor structurele verbetering van de verkeersfuncties over de dijk en substantiële meekoppelingen in het buitendijks gebied? Hier blijkt een zwakke schakel te bestaan. In deze nieuwsbrief signaleert Ties Rijcken, expert op het gebied van waterveiligheid, waar de zwakke schakel zit en hoe deze kan worden versterkt. De provincie heeft volgens hem de belangrijke rol om Rijkssoberheid aan te vullen tot een Regionale Omgevingskwaliteit. Precies zoals de nieuwe Omgevingswet voorschrijft.

~ Paul Roncken, Provinciaal Adviseur Ruimtelijke Kwaliteit, provincie Utrecht

1. Kwaliteit in het dijkenlandschap

'Ruimtelijke kwaliteit als belang op nationaal strategisch niveau is sinds de jaren ’80 toegenomen, maar nu gestagneerd.'

In Nederland wordt binnendijks gebied beschermd tegen buitenwater door 3440 kilometer primaire waterkeringen. Zo’n 3000 kilometer hiervan zijn dijken. Met een contour van 150 meter aan weerszijden van de dijk is het dijkenlandschap goed voor ruim 2% van het Nederlandse landschap. 

Door klimaatverandering, bodemdaling, zetting en veranderende analysemethoden is het dijkenlandschap nooit af. Sinds de Deltawerken heeft de Rijksoverheid ruim 15 miljard euro geïnvesteerd in het dijkensysteem (zo’n half miljard euro per jaar, exclusief onderhoud) en momenteel wordt ongeveer een zelfde half miljard euro per jaar verwerkt in het derde Hoogwaterbeschermingsprogramma. In de beleidsontwikkeling is het belang van ruimtelijke kwaliteit op nationaal niveau sinds de jaren ’80 toegenomen (zie mijn proefschrift), maar inmiddels gestagneerd: het adagium “Sober en Doelmatig” overheerst. 

Dit adagium is een financieel label voor dijkensubsidies uit het Deltafonds. Het ontstond in een dialoog tussen het Rijk en de waterschappen rond het jaar 2010: focus op de basisbehoefte veiligheid en verschuif het kwaliteitsvraagstuk naar het decentrale niveau. Weeg kwaliteit van de dijk af tegen vergelijkbare regionale ruimtelijke kwaliteitsimpulsen en zelfs tegen andere regionale wensen. Een begrijpelijke benadering in de crisisjaren van 2008-2011, en bovendien in de geest van ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’. 

Ik vraag mij af of dit adagium nog steeds verstandig is en hoe het anders zou kunnen. Ik zal deze vragen beantwoorden door eerst de huidige praktijk te bespreken, dan terug te kijken naar het ontstaan van Sober en Doelmatig en daarna financiering en organisatieconcepten te behandelen.

Wat bedoel ik met kwaliteit van het dijkenlandschap? Veiligheid kan onderdeel zijn van een allesomvattende definitie van kwaliteit, maar ik gebruik hier de smalle definitie: gericht op beleving en landschap, juist als aanvulling op veiligheid. Ik onderscheid twee componenten.

Ten eerste kwaliteitsverhogende elementen op de dijk zelf: vooral de verkeersafwikkeling, uitzichtpunten, relaties met cultuurhistorie en natuurwaarden op en langs de kruin en de taluds van de dijk.

Ten tweede kwaliteitsverhogende maatregelen in buitendijks gebied aangrenzend aan de dijk, zoals een zwemplas, dynamische natuur en verbetering van de ontsluiting van de uiterwaarden.

Wat gebeurt hier in de huidige praktijk van het Hoogwaterbeschermingsprogramma?

Uit een inventarisatie bij acht waterschappen blijkt dat aandacht voor ruimtelijke kwaliteit breed gedeeld wordt, maar dat de borging ervan sterk uiteenloopt. Kwaliteit kan bovendien van alles betekenen: van minimale inpassing tot substantiële meekoppelingen. Onderzoek Ymkje van de Witte, provincie Utrecht. Zie voor de locaties van de projecten het waterveiligheidsportaal.

2. Dijkversterking en verkeer op de dijk

'Het Hoogwaterbeschermingsprogramma vergoedt kwaliteit alleen als 'ruimtelijke inpassing'. Wat gaat er gebeuren met deeën van bewoners en kwaliteitsteams die verder gaan dan dat?' 

Het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) vergoedt kwaliteit alleen als het gezien wordt als ‘ruimtelijke inpassing’ van de dijkversterking. 

Voor kwaliteit op de dijk zelf betekent dit bijvoorbeeld bescherming van cultuurhistorische elementen en nette informatievoorziening. Als het om verkeer op de dijk gaat, vergoedt het HWBP wél een degelijke materialisatie van wegdek, bewegwijzering en uitzichtpunten maar géén wegverbreding of een van de weg gescheiden fietspad: het HWBP vergoedt alleen het handhaven van de huidige verkeersfunctie, en géén verbetering ervan.

Juist bij de verkeersafwikkeling liggen kansen voor structurele kwaliteitsverbetering. 

In het dijkenlandschap is de verkeersfunctie van de dijk innig verweven met de veiligheidsfunctie; een dijk langs de rivier zonder verkeersfunctie ziet er anders uit dan de rivierdijken die we nu kennen. Niet alleen ideeën over veiligheid veranderen, ook over verkeer. In de vorige eeuwen werd verkeer over de dijken gedomineerd door beheerverkeer, bestemmingsverkeer en landbouwverkeer. In de 21ste eeuw verschuift het verkeerszwaartepunt in het dijkenlandschap richting recreatief verkeer.

Bestemmingsverkeer zijn auto’s die dikwijls te hard rijden. Landbouwverkeer bestaat uit zware machines die traag rijden. Recreatief verkeer zijn motoren die vaak hard rijden, en cabrio’s, fietsers, paarden en wandelaars die relatief traag zijn en graag af en toe stil staan. 

Landbouwverkeer rijdt op werkdagen, bestemmingsverkeer vooral tijdens de spitsuren, recreatief verkeer vooral in het weekend en op zonnige vakantiedagen.

Kortom, verschillende verkeerstypes hebben verschillende snelheden en gebruiksfrequenties. Structureel anticiperen op de verschuiving in verkeerstypes kan met fysiek en temporeel scheiden van verkeersstromen en het loslaten van de kruin van de dijk als enige verkeersas. Op veel dijken is het momenteel simpelweg gevaarlijk wandelen en fietsen vanwege het gemotoriseerd verkeer.

Bij dijkverbeteringsprojecten wordt er door de waterschappen en de bureaus die zij betrekken natuurlijk nagedacht over de verkeersafwikkeling, maar het Hoogwaterbeschermingsprogramma vergoedt alleen de handhaving van de huidige verkeersafwikkeling: een nieuw wegdek dus, wellicht aangevuld met verkeersdrempels. Bewoners en kwaliteitsteams dragen ideeën aan die verder gaan. De vraag is wat daar mee gaat gebeuren.

In de tekening hieronder zijn ideeën verzameld om verkeersstroken uit elkaar te trekken en opnieuw aan elkaar te relateren, rekening houdend met dijkversterkingsopties en buitendijkse ontwikkeling. Het mooiste idee vind ik zelf om gemotoriseerd verkeer binnendijks te leiden op discrete stukken waar zich een waardevol buitendijks natuurgebied of recreatiegebied bevindt, zodat natuur en recreanten plaatselijk vrij zijn van geluid en zicht op de weg – dit komt elders in Nederland veel voor, maar langs de grote rivieren vrijwel nergens. 

Ook fietspaden over zomerdijken zijn prachtig, vooral bij hoogwater. Dit idee gaat zowel over verkeer als het buitendijks gebied. 

Ideeën voor meekoppelingen met dijkversterking die verder gaan dan ‘ruimtelijke inpassing’. Inspiratiebron: Levende Rivieren (WWF). Tekening Vincent de Gooijer, 76a/Flows.

3. Dijkversterking en buitendijkse herontwikkeling

Wat betekent ‘ruimtelijke inpassing’ voor potentiële herontwikkeling van het buitendijks gebied aangrenzend aan de dijk? Om hier grip op te krijgen is het eerst zaak om de relaties tussen dijkversterking en buitendijkse herontwikkeling te bezien: in hoeverre kunnen deze invloed op elkaar hebben?

Een mooi voorbeeld is de bijdrage van buitendijkse begroeide voorlanden aan golfoploopreductie – dit speelt vooral langs de kust, de grote meren en in specifieke delen van het rivierengebied. Hier wordt in het HWBP aan gewerkt.

Een buitendijks wandelpad of een zwemplas daarentegen staan los van dijkversterking, tenzij de grond uit de vergraving gebruikt wordt voor de dijkversterking of het wandelpad een compensatie is voor de overlast bij de bewoners rondom de dijk. Het HWBP zal dit echter vrijwel zeker niet vergoeden (al helemaal niet gezien de huidige stijgingen van de kostenramingen ten op zichte van de oorspronkelijke begroting).

Het wordt ingewikkelder bij nevengeulen door de uiterwaarden. We weten uit Ruimte voor de Rivier dat substantiële nevengeulen de waterstand tot 10 centimeter kunnen verlagen. Er wordt tegenwoordig veel gezegd dat dit niet meer helpt voor de huidige dijkenopgave omdat er geen hoogteprobleem meer zou zijn maar alleen een sterkteprobleem. Langs de Lekdijken is er inderdaad nauwelijks een hoogteopgave, maar langs de Waaldijken wel degelijk. Met ruimtelijke maatregelen (in combinatie met dijkversterkingen) zijn nog altijd risicoreductiefactoren van 2 tot 3 te behalen. 

We kunnen in het buitendijks gebied ook “subtiele nevengeulen” aanleggen en zomerdijken afgraven. Hierbij gaat het dan niet om een substantiële bijdrage aan de veiligheid maar om subtielere voordelen: (1) een gesloten grondbalans, (2) het mogelijk maken van natuur met een hogere ruwheid (de nevengeul heeft een lage ruwheid, aangrenzende bossages hebben een hogere, en het netto effect op de ruwheid is 0; ook wel aangeduid als het vergroten van de beheerruimte) en (3): als er geen hoogteopgave is en er buitendijks wordt versterkt (wat tot waterstandsstijging leidt), kan de subtiele nevengeul er precies voor zorgen dat de waterstand neutraal blijft.

Of een nevengeul substantieel of subtiel is, bekostiging ervan valt zeker niet onder het HWBP. Verkeersverbetering en buitendijkse herontwikkeling zijn niet Sober en Doelmatig. Is Sober en Doelmatig eigenlijk wel een goed idee?

4. Van Sober en Doelmatig naar Kwaliteit

'In Nederland zijn we het stadium van Soberheid en Doelmatigheid voorbij. En als we willen bezuinigen in het heden, zou het dan niet beter zijn om lopende projecten te vertragen dan om toekomstige projecten te versoberen?'

Het adagium Sober en Doelmatig ontstond in de zware jaren na 2008. De hand op de knip houden is een begrijpelijke reactie op een financiële crisis. Maar hoe begrijpelijk ook, is het wel van toepassing op investeringen in het dijkenlandschap? In de vette jaren ’90 ontstonden de ruimtelijke kwaliteitshoogtepunten Ruimte voor de Rivier en de Zwakke Schakels Kust. Het geld hiervoor werd gespendeerd in de magere jaren 2008-2016. Bij het derde Hoogwaterbeschermingsprogramma is het andersom: de projecten werden voorbereid in magere jaren en uitgevoerd in vette jaren

Gezien de lange duur van infrastructuurontwikkeling en infrastructuurrendement is het eigenlijk altijd achterhaald om de koppeling tussen begrotingsruimte en plannen te laten bepalen door de actualiteit. Hoe somber of spannend de actualiteit ook mag zijn, infrastructuur vraagt een visie op de zeer-lange termijn. En als we willen bezuinigen in het heden, zou het dan niet beter zijn om lopende projecten te vertragen dan om toekomstige projecten te versoberen.

Dit is een bekend kritiekpunt op beoogde macro-economische sturing met begrotingsbeleid: de meeste overheidsuitgaven of bezuinigingen hebben een veel te trage doorlooptijd om de conjunctuur effectief te beïnvloeden. “Sober en Doelmatig” is geen financiële overweging maar een principiële; het is een politieke visie. 

Is het in het huidige tijdsgewricht een inspirerende visie?
 

Investeringen in waterveiligheid sinds 1990 afgezet tegen de kwaliteitscomponent en de conjunctuur. Er is geen eenduidige relatie tussen de conjunctuur en nationale uitgaven aan kwaliteit. Wel te zien is dat kwaliteit als nationaal beleidsdoel wél gemeengoed is langs de kust en bij ruimtelijke rivierprojecten maar blijkbaar niet bij rivierdijkenprojecten.
(Bewerking van figuur gemaakt in het kader van proefschrift The Dutch Flood Risk System (T. Rijcken, TU Delft 2017). De projectomvangbedragen zijn verdisconteerd naar 2014 met 4%. De weergegeven projectperiode is vanaf het besluit tot oplevering. Data vooral afkomstig uit MIRT projectenboeken t/m 2014. Toelichting bij de stormvloedkeringen: ruimtelijke kwaliteit speelde bij de beleidsvoorbereiding een grote rol, ze waren immers grotendeels bedoeld om landschappelijk aantrekkelijke dijken te vrijwaren van dijkversterking. Bovendien zijn ze bewust fraai uitgevoerd.) 

Nederland is gedurende eeuwen van democratisering, internationale oriëntatie én investeringen in infrastructuur uitgegroeid tot een land in internationale top tiens van welzijn (quality of life: 6e, happiness: 5e, human development: 10e, SDGs: 11e) en concurrentiekracht (wereld: 6e, EU: 1ste). Houden we die posities door in te zetten op Soberheid en Doelmatigheid? Welk bedrijf, welke organisatie of welke stad heeft Sober en Doelmatig tegenwoordig als visie of waardenset? Als je in Nederland om je heen kijkt, zie je geen Soberheid en Doelmatigheid meer. Dat stadium zijn we voorbij. In de stad, vanaf de snelweg en op het vliegveld zien we cultuur, architectuur, kunst, design en status. Daar komen de toeristen en buitenlandse investeerders op af, niet op Soberheid en Doelmatigheid. In het landschap willen we dit ook, en daarbovenop rustgevend groen en indrukwekkend blauw. “Een Sober en Doelmatig landschap”? Nee toch.

Het dijkenlandschap is een lintensysteem dat grenzen overstijgt. Het vormt een uniek landschap met internationale uitstraling. Zoals de groene wiggen in Amsterdam en de Ringparken in de provincie Utrecht een aantrekkelijke balans moeten scheppen tussen het stedelijk productief milieu en een ontspannende groene recreatieve omgeving, zo kunnen de grote wateren omvangrijke groenblauwe buffers vormen die het Nederlandse productielandschap dooraderen met een betekenisvol netwerk van ononderbroken natuur en rustgevende recreatie. 

Niet Sober en Doelmatig, maar Rijk, Multifunctioneel en Betekenisvol.

In Nederland worden groenblauwe structuren bewust ontworpen als tegenhanger van hoogproductieve stedelijke- en landbouwmilieus. De Ringparkenvisie van de provincie Utrecht gaat uit van verschillende ringen van groengebieden rondom stedelijke kernen: van de singel in het centrum tot aan het landschap zelf. Door de Lek meer als recreatief parklandschap in te richten, wordt de Lek ook onderdeel van het Ringparkenconcept. Ook moeten deze ringen goed bereikbaar zijn voor recreatief verkeer. Zowel de parken zelf als de bereikbaarheid ervan zijn dus mee te koppelen met de dijkenopgave.

5. Financieren van kwaliteit in het dijkenlandschap

'Het dijkenlandschap is een nationale structuur. Het is elegant als de primaire functies van dit landschap onder één vlag vallen.'

Kostenneutraal kwaliteit meekoppelen wil iedereen wel en dat komt aan de tabel in paragraaf 1 te zien best goed. Maar wat als het wat extra’s vraagt?

Voor de dijk zelf blijkt een dijkversterking in het HWBP 6,7 tot 21,5 miljoen euro per kilometer te verbeteren dijk te kosten. Een nieuw wegdek op of langs een rivierdijk kost 1 à 2 miljoen per kilometer. Een losliggend tweebaans fietspad kost maximaal 0,5 miljoen euro per kilometer (bron: Goudappel Coffeng, adviseurs mobiliteit). 

Voor het buitendijks gebied is voor 0,5 tot 2,5 miljoen euro per kilometer een mooie buitendijkse herontwikkeling uit te voeren, met natuurontwikkeling, zwemplassen en subtiele nevengeulen. 

De meerkosten voor kwaliteitsverbeteringen zijn dus maximaal 5 miljoen euro per kilometer. Het kan voor minder, een deel zit al in ‘ruimtelijke inpassing’, en het hoeft niet overal. We kunnen dus rekenen met 10-20% extra op het huidige Sobere veiligheidsbudget van ongeveer een half miljard euro per jaar.  

De huidige architectuur van Deltafonds en Hoogwaterbeschermingsprogramma legt de kosten voor kwaliteit die verder gaan dan ruimtelijke inpassing bij provinciesgemeenteswaterschappen en lokale partijen. Hoe is de financiële positie van elk van deze?

Lokale partijen zoals recreatieschappen, terreinbeheerders en particulieren worden enthousiast betrokken door waterschappen zoals Stichtse Rijnlanden en dat is natuurlijk geweldig om te zien. Maar hoe prijzenswaardig de nieuwe samenwerkingsverbanden ook zijn, deze zijn te gefragmenteerd en beperkt geörienteerd om een stabiele substantiële financiering onder een lange-termijn visie op kwaliteit te bieden.

De waterschappen heffen belastingen gericht op waterkwaliteit en waterkwantiteit, en niet op zwemplassen, nevengeulen en fietspaden – de eigen bijdrage van de waterschappen in het HWBP (181 miljoen per jaar sinds 2015) schijnt de begrotingen van de waterschappen al flink te domineren. Niet alleen het HWBP, ook de waterschappen zelf zouden zich niet aan hun afspraken houden als hun bestedingen afwijken van Sober en Doelmatig. (Deze afspraken lijken mij overigens niet tot 2050 in beton gegoten te zijn.)

De budgetruimte van gemeentes loopt enorm uiteen en is in het algemeen gering. 

Provincies zouden wel eens de beste partij kunnen zijn voor de ruimtelijke kwaliteitsagenda, gezien de geografische omvang én hun verantwoordelijkheid voor verkeer en leefomgeving in het landelijk gebied – maar dan moet er wel budget zijn, en daarin lopen de provincies sterk uiteen. (Het heeft iets eigenaardigs als de ruimtelijke kwaliteit van het Nederlandse dijkenlandschap de komende decennia bepaald zou worden door of een provincie wel of geen energiebedrijf heeft verkocht.) 

Er zijn goede argumenten om het weer bij het Rijk te leggen, de overheid met grootste en meest stabiele lange-termijn bestedingsruimte (zie de tabel onder). Niet alleen het dijkringensysteem, het scheepvaartnetwerk en de zoetwatervoorziening vanuit de grote rivieren, ook toeristische stromen vanuit de steden naar de land-water overgangen zijn landelijke systemen. Ook wat beleving betreft vormen de dijken, de grote rivieren en de grote meren een samenhangend oernederlands nationaal landschap met internationale uitstraling.

Het dijkenlandschap is primair een nationale structuur, net zoals het rijkssnelwegennet en de ecologische hoofdstructuur. Het zou elegant zijn als alle aspecten van dit landschap onder één vlag vallen.
 

Totale en sectorspecifieke overheidsuitgaven in miljarden euro's. *Let op: van de totale rijksuitgaven zijn het gemeentefonds en het provinciefonds afgetrokken. De totale bestedingsruimte van het Rijk is daarmee gemiddeld 3,8 maal groter dan die van alle gemeentes bij elkaar en 28 maal groter dan die van alle provincies bij elkaar. Water&ruimte-sectorspecifiek zijn deze factoren respectievelijk 2,7 en 3,9. Het is ook te zien dat sinds 2009 ondanks de decentralisatie de bestedingsruimtes van gemeentes en provincies niet zijn gestegen. Bronnen: www.rijksbegroting.nl (jaarrekeningen) en CBS (lasten per taakveld). Onderzoek Jaap Borghans en Ties Rijcken, Flows/TU Delft. Cijfers zijn niet gecorrigeerd voor inflatie. 

6. Organiseren van kwaliteit in het dijkenlandschap

'Een effectieve organisatie van dijkenlandschapskwaliteit moet aansluiten bij de huidige structuren en kan leren van het succes van Ruimte voor de Rivier.

Momenteel zijn de projectorganisaties van de waterschappen volledig verantwoordelijk voor de kwaliteitsparagraaf bij de dijkversterkingen. Welke andere structuren kennen we nog meer, uit het verleden en in het heden?

Bij Ruimte voor de Rivier (2006-2018) coördineerde het programmabureau (één van de negen landelijke organisatieonderdelen van Rijkswaterstaat) de relaties tussen het Rijk en de provincies, gemeentes en lokale partijen. Het programmabureau stelde een landelijk opererend Q-team aan, dat de wettelijke kwaliteitsambitie per project bewaakte, van uitgangspunten tot en met uitvoering. 

Het Deltaprogramma Rivieren (2008-heden) onderzocht het complexe vraagstuk van de samenhang tussen Ruimte-voor-de-Rivier-achtige maatregelen en de dijkenopgave, met veel kansen voor kwaliteit. Inmiddels werkt het Deltaprogramma samen met het Rijksprogramma Integraal Rivier Management(IRM). IRM staat nog in de startblokken maar lijkt een kansrijke omgeving voor het koppelen van een kwaliteitsagenda aan hoogwaterbescherming. Het wordt getrokken door Rijkswaterstaat, dat ook Ruimte voor de Rivier organiseerde. In het budget van IRM (375 miljoen euro) zou een bedrag zitten van 200 miljoen dat ooit door de minister aan ruimtelijke riviermaatregelen was gekoppeld. 

200 miljoen is snel op als het aan bypasses wordt besteed (bypass Veessen-Wapenveld kostte precies 200 miljoen en nevengeul Lent meer dan 350 miljoen euro), maar er zijn veel kilometers fietspaden en subtiele nevengeulen voor aan te leggen (7.000 hectare omzetting van buitendijkse landbouw naar natuur onder NURG kostte 125 miljoen euro). Het is wel zo, dat IRM een kort uitvoeringsvenster heeft (2029-2031) dat niet aansluit op het langdurige Hoogwaterbeschermingsprogramma (2017-2050). Bovendien gaat IRM alleen over rivieren; mijn betoog geldt ook voor de kust en de grote meren. IRM en het Deltaprogramma zouden best een landelijk Q-team kunnen formeren.

Concluderend: de bekende structuren bieden aanknopingspunten voor het organiseren van extra aandacht voor dijkenlandschapskwaliteit. Het kan net als bij de financiering explicieter en met meer nationale steun. 

Het Q-team van Ruimte voor de Rivier, met van links naar rechts: Frans Klijn, Sjef Jansen, Dirk Sijmons, Dick de Bruin en Maurits de Hoog

7. Suggesties voor beleid

'Integrale kwaliteit van het dijkenlandschap vraagt om onafhankelijke periodieke beoordeling, nationale co-financiering en lokale verantwoordelijkheid.'

Ik sluit af met ideeën voor vernieuwing, uiteraard om een constructieve discussie te voeden.

Ten eerste het optuigen van een landelijke kwaliteitsbeoordeling van het dijkenlandschap, vergelijkbaar met de wettelijke landelijke veiligheidsbeoordeling voor de dijken (elke 6 jaar), de beoordelingen volgens de Kaderrichtlijn Water voor waterkwaliteit en habitats (elke 5 jaar), de capaciteitsmetingen voor de scheepvaart (doorlopend) en waterbeschikbaarheidsanalyses voor de zoetwatervoorziening (momenteel in ontwikkeling).

Het lijkt misschien een Dorknoper-idee om kwaliteit plat te slaan met assessments, maar dat valt mee. Er is inmiddels een degelijke literatuur over ruimtelijke kwaliteit in het dijkenlandschap ontstaan (zie de figuren onder). Een periodieke beoordeling zorgt dat dit kennisdomein in ontwikkeling blijft. Een Rijksadviseur voor de Leefomgeving zit een team voor, die kwaliteit definieert en samen met provincies kaartbeelden vervaardigt met verbeterpotenties.

Lokale betrokkenheid bij kwaliteitsverbetering is natuurlijk wel essentieel (het gaat bij een goed ontwerp om een constructieve dialoog tussen ontwerpers en gebruikers) en dat wordt pas menens als er men er geld aan wil uitgeven. Daarom stel ik de volgende financieringsconstructie voor: het Deltafonds staat voor waterveiligheid, waterbeschikbaarheid, waterkwaliteit en integrale kwaliteitsverbetering van het dijkenlandschap. De bekostiging van de veiligheidsopgave door Rijk en waterschappen blijft gehandhaafd conform het Bestuursakkoord Water. Daarbij, voor elke euro die decentrale partijen steken in de kwaliteitsdimensie legt het Rijk (Deltafonds) er een euro bij.

Het gaat dus om 10-20% extra (zie paragraaf 5) op het huidige Sobere veiligheidsbudget van ongeveer een half miljard euro per jaar, dus in totaal voor Nederland 50 tot 100 miljoen per jaar. Dat is per provincie gemiddeld 5 tot 10 miljoen euro per jaar – voor bijvoorbeeld de provincie Utrecht 55 tot 110 miljoen euro (tot 2028); voor Gelderland een veelvoud daarvan (tot maar liefst 2050). Deze bedragen worden behapbaar met een multiplier vanuit het Rijk. 

Als de gemeentes en lokale partijen het beheer op zich nemen heeft ieder zijn deel voor één van Nederlands mooiste landschappen.
De investeringsruimte (groen) in het Deltafonds lijkt groot genoeg voor een bedrag van 25 tot 50 miljoen per jaar voor omgevingskwaliteit van het dijkenlandschap. Bron: Deltafonds Rijksbegroting 2020.
De eindverantwoordelijkheid blijft bij de waterschappen, gebruik makend van de nationale beoordelingen (met de provincies nauw betrokken bij zowel de projectorganisaties als de landelijke beoordeling). Ook nu al kijken de waterschappen naar de buitendijkse gebieden en wordt er volop afgestemd. Juist als er co-financiering voor kwaliteit van het Rijk beschikbaar is, zullen provincies, gemeentes en lokale partijen met volle inzet meewerken.

Met of zonder Rijkscofinanciering, bij de provincies liggen er ballen voor het doel. Hoe eerder die er in getrapt worden hoe beter; de Sobere HWBP-trein rijdt momenteel met een snelheid van 25 kilometer per jaar en dat moet naar 50 om het jaar 2050 te halen. Het subsidieprogramma heeft bovendien te kampen met kostenoverschrijdingen ten opzichte van een ogenschijnlijk krappe begroting (begroot: gemiddeld 6 miljoen euro per kilometer, momenteel geraamd: 11,3 miljoen euro) – vanuit het HWBP vallen er zeker geen kwalitatieve extra’s te verwachten. 

Tot slot: angst dat extra aandacht voor kwaliteit een bedreiging voor de veiligheid oplevert zou van een beperkte blik getuigen. De huidige overstromingskansen zijn gemiddeld kleiner dan 1:5000. Het huidige dijkenbeoordelingsinstrumentarium legt de zwakste plekken bloot en die schuift het Hoogwaterbeschermingsprogramma heus met urgentie naar voren. 
Van uitgaven voor scheepvaart of waterkwaliteit wordt niet geroepen dat ze ten koste te gaan aan uitgaven voor veiligheid, en dat geldt net zo goed voor kwaliteit. De schotten in het Deltafonds zijn zo sterk als we ze zelf maken.

We zijn de beste dijkenlandschapsarchitecten en waterbouwers ter wereld. We zijn slim genoeg om de veiligheidsopgave én het kwaliteitsvraagstuk parallel in beeld te brengen, te financieren en te organiseren.
Ties Rijcken voltooide in 2017 zijn proefschrift aan de TU Delft over de ontwikkeling van het Nederlandse hoofdwatersysteem. Hij is sinds 2015 hoofdredacteur van TU Delft DeltaLinks en richtte in 2016 het web-platform Flows op.

Ties Rijcken zit samen met Eric Luiten, Janine Caalders, Nicole Korsten en Paul Roncken in het team omgevingskwaliteit voor de Sterke Lekdijk.
Dijkenlandschapskwaliteit toetsing methode 1: kwaliteitsteams met landschapsarchitecten, waterbouwers en deskundigen (hier het Team Omgevingskwaliteit Sterke Lekdijk).
Dijkenlandschapskwaliteit toetsing methode 2: bevragen van bewoners (foto Ties Rijcken).
Dijkenlandschapskwaliteit toetsing methode 3: gestandaardiseerde checklist (voorbeeld: de Dyqualizer van de Urbanisten).
Dijkenlandschapskwaliteit toetsing methode 4: GIS-analyse ‘voorspelde aantrekkelijkheid landschap op basis van gebiedskenmerken’ (Alterra/PBL 2007).
Kreeg u deze brief doorgestuurd en wilt u een eigen abonnement, klik dan hier
Deel
Tweet
Stuur door
Link
2016 Adviseur Ruimtelijke Kwaliteit - Provincie Utrecht. Er is alle mogelijke aandacht besteed aan het vermelden van en verwijzen naar gebruikte bronnen.

Wil je deze nieuwsbrief niet meer ontvangen? Klik dan hier






This email was sent to <<Email Address>>
why did I get this?    unsubscribe from this list    update subscription preferences
Provincie Utrecht · Archimedeslaan 6 · Utrecht, Utrecht 3584 BA · Netherlands

Email Marketing Powered by Mailchimp